Het Landelijk Reizigersonderzoek (LRO) brengt mobiliteitstrends van de Nederlandse bevolking boven de 18 jaar in kaart. Vanaf 2019 is het onderzoek gestart door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Momenteel voeren Goudappel en Ipsos I&O het onderzoek uit. Elk jaar verschijnt een nieuwe versie. Een van de gebruikers van dit onderzoek is Machiel Kouwenberg, adviseur mobiliteitsonderzoek bij de Vervoerregio Amsterdam. Hij ziet het als een waardevolle  gereedschapskist voor zijn eigen onderzoeken en aanbevelingen. Daarom vertelt hij graag over de meerwaarde van het LRO.

Mobiliteitskeuzes voor brede welvaart

Voor hij ingaat op het LRO, licht Machiel eerst even toe waarom dit soort onderzoeken goed van pas komen binnen zijn functie. “Ik werk bij de Vervoerregio in het team Beleid en Ontwikkeling, en wij maken beleid voor onder andere publieke mobiliteit, investeringen in infrastructuur en verkeersveiligheid. Wij kijken op verschillende manieren naar deze zaken, bijvoorbeeld vanuit duurzaamheid, inclusiviteit en bereikbaarheid. We werken hierbij vanuit de principes van brede welvaart, waarbij we inzetten op verschillende domeinen om te zorgen dat de kwaliteit van leven voor de gehele bevolking erop vooruit gaat.” Om hier concreet invulling aan te geven, zijn mobiliteitsonderzoeken van groot belang, zowel landelijk als regionaal. Een van deze onderzoeken is het LRO, waarin op grote schaal informatie is verzameld over onder andere vervoermiddelbezit, reisgedrag, reismotieven en eventuele belemmeringen. De focus in het LRO ligt op woon-werkverkeer, en de Metropoolregio Amsterdam koopt jaarlijks extra enquêtes in voor het LRO voor haar gebied.

Mobiliteitsonderzoeken: LRO en ODiN

“Het LRO stelt een groot aantal basisvragen, bijvoorbeeld over welke vervoermiddelen mensen bezitten, welke je gebruikt voor je reis, hoe vaak je thuiswerkt, en of je reiskostenvergoeding krijgt. Daarin lijkt het deels ook op het andere grote onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN), uitgevoerd door het CBS, maar er zijn ook  verschillen. “ODiN heeft een groter aantal respondenten, en begint al vanaf 6 jaar. Ook gaat ODiN over alle mobiliteit terwijl het LRO meer kijkt naar woon-werkverkeer. ODiN  vormt een sterke basis, ook omdat het al jaren wordt gebruikt door diverse organisaties, voor mobiliteitsonderzoek en -trends. Het LRO is een goede aanvulling en voegt kennis toe.” Machiel ziet als verschil tussen het LRO en ODiN onder andere dat het LRO meer inzoomt op de achtergronden van reis- en vervoermiddelkeuzes. “Het LRO kijkt bijvoorbeeld naar motivaties voor de keuzes van vervoersmiddelen: waarom ga je met de auto, waarom ga je met de fiets? Hoe beleef je je reis en waardoor komt dat?”

LRO biedt verdieping

“De extra informatie in het LRO vind ik waardevol, bijvoorbeeld de waardering van diverse vervoermiddelen. Dat hadden we al langer van het openbaar vervoer, vanuit de OV Klantenbarometer, maar het ontbrak heel lang voor auto, fiets en lopen. Deze belevingscijfers kunnen we gebruiken voor de ontwikkeling van onze beleidsmonitoring. Mensen kunnen ook aangeven wat zij de belangrijkste zaken vinden om op te lossen, en dan zie je dat betaalbaarheid van het openbaar vervoer behoorlijk hoog scoort.”

Voor de Vervoerregio is het belangrijk dat sinds 2025 de regionale LRO-rapportage is uitgesplitst naar gender. Hier hebben we de afgelopen tijd meer aandacht voor gekregen, nadat dit lange tijd minder belangrijk werd gevonden. “We zien bijvoorbeeld verschillen tussen vrouwen en mannen in reismotieven, woon-werkafstanden, aantal reisdagen en vervoermiddelkeuze. Wij willen die informatie gebruiken om te zien of het mobiliteitsysteem waar wij beleid op maken voldoende rekening houdt met  deze verschillen. One size fits all gaat niet altijd op.”

Toegang tot data verbeteren

Machiel ziet nog een verbetermogelijkheid voor het gebruik van het Landelijk Reizigersonderzoek: de toegang tot de data. “Het LRO is nu een rapport waarin je informatie kunt opzoeken, maar je kunt niet standaard de data downloaden voor verdere analyse. Dus het zou nog mooier zijn als partijen zelf bij de LRO-data kunnen om ermee aan de slag te gaan voor analyses.”